Brieven uit Bras


Leven in de Provence

Opdracht

Permalink
Vrieeend,

Het was twintig over elf toen ik onze stoffige tuinweg afreed en beneden naar links de weg richting Saint Maximin opdraaide. Ik passeerde het landgoed van Conillière en, iets verder, de geitenboerderij van Cortez. Eens het bosje uit, kwam ik in de bewoonde wereld waar zich een eind voorbij de woonwijken met hun ommuurde tuintjes de winkels bevinden, daar waar men brood en wijn kan kopen. Ik maakte een tussenstop bij de glascontainer en ontdeed me haastig van wat lege flessen. Een fles waar geen drank meer in zit, verliest haar bestaansrecht en die gaat er wat mij betreft zo snel mogelijk uit. Ik hoop dat ze mag reïncarneren als een toiletraampje, of beter nog, als een nieuwe fles mét inhoud. ‘RIP fles”, sprak ik zacht en duwde haar door het voor haar bestemde gat haar laatste rustplaats in. Ik hoorde iets breken. Maar het was niet mijn hart. Niet vandaag.

Ik had een missie. Dus stapte ik snel weer in en zette mijn weg voort. De airco begon koude lucht te blazen. Ik zette ‘m uit en deed het raampje open. Dat is zoveel aangenamer en je ruikt tenminste eens iets anders dan je eigen lichaamsgeur. De klok tikte, het was bijna middag en dat is in Frankrijk nog steeds een ijkpunt. Rond tien voor twaalf zit de gemiddelde Fransman met zijn gedachten reeds bij de menukaart van de bistro waar hij straks zal gaan lunchen. De horeca is momenteel nog steeds op slot, maar er zijn nu eenmaal tradities die je er in dit land zelfs niet met een knuppel uitgeklopt krijgt.

Er schoof een veldje vol klaprozen voorbij. Op zo’n lap grond kan je een half dozijn koeien echt gelukkig maken: ruim, rustiek, georiënteerd op het zuid-westen met aan de rand wat boompjes die voor schaduw zorgen. En dan die bloemen… Dit is de Ieperse Menenpoort tijdens een feestelijke herdenkingsdag, maar dan in overdrive. Er stonden tussen het groen vijfduizend rozen te klappen zoals enkel een klaproos tussen het groen oorverdovend kan staan klappen. Misschien waren het er tienduizend of twintigduizend. Dat kan ook. Bijna was ik gestopt om ze een applausje te geven en wat mee te klappen. Maar niet nu. Het duurde een volle minuut eer ik er voorbij was, waarna de Mont Aurelien in mijn ooghoek verscheen. Een buizerd klapwiekte loom voorbij.

Ik had dan wel andere dingen te doen, het is niet verboden om onderweg te genieten van het natuurschoon. Toch?

Rond vijf voor twaalf ramde ik de deur van de apotheek op de Boulevard de la République open. Het was nipt, maar nog steeds binnen de wettelijke limieten van het sluitingsuur. Dus liep ik meteen door naar de toog om mijn bestelling door te geven. De man achter de toonbank bekeek me met het ongeduld van de filatelist die net het postkantoor verlaat en nu snel naar huis wil om zijn nieuwe vondst onder een vergrootglas te gaan leggen. Even dacht ik dat hij een pistool zou tevoorschijn halen om me ter plekke mee af te schieten. Een seconde lang stonden we als twee gemaskerde wassen beelden tegenover mekaar. Maar hij gooide slechts met een verachtelijk gebaar het doosje pilletjes waar ik om had gevraagd op het namaakgraniet van zijn contoir en keek ostentatief naar de deur. Ik begreep de hint en maakte me uit de voeten.

Buiten deed ik mijn mondmasker af en zette ik mijn retro zonnebrilletje op. Ik nam mijn gsm en belde naar Mia. ‘Opération Dafalgan accompli’, zegde ik en legde af. Mia zou nu de dossiermap “Opération Dafalgan” uit de brandkast halen en er met geweld de rode stempel “ACCOMPLI” op meppen. Mijn schouders ontspanden zich. Ik had nu ruim de tijd om pastinaak, andijvie en persappelsienen te gaan kopen bij de groenteboer. Die had een afwijkende economische visie en bleef gewoon open onder de middag.

‘Heb je nog pastinaak?’, vroeg ik aan onze groenteboer. Hij bekeek me alsof ik uit een ander land kwam, België of zo, en antwoordde, ‘le saison est terminé monsieur’. Hij moet mijn teleurstelling hebben opgemerkt want hij fluisterde er meteen achteraan, ‘Ik kan je gratis wat platte peterselie geven’.’Laat maar zitten, die pastinaak en die peterselie, ik zal het met een paar wortels oplossen’, zei ik. Ik rekende af en keerde terug naar de parking vooraan. Ik stuurde snel een sms naar Mia: “Opération chicon accompli”. In gedachten zag ik Mia naar haar stempeldoos grijpen.

Ik twijfelde even of ik naar de carwash zou rijden. En tanken... dat was ook alweer geleden van februari. Maar de tank was nog halfvol. Leve de lockdown, zuiniger krijg je ‘t niet. De Intermarché dan maar. Om bier en waspoeder te scoren. Ik vertrok en sneed een andere wagen de pas af. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik wat wagens kopstaartbotsen. Niet mijn probleem. Ik hoopte dat het allemaal Renaults zouden zijn die daar aan hun einde kwamen. Die zitten in slechte papieren omdat hun CEO geld heeft achterover geslagen. Je kent het wel, de wereld van in drieën gevouwen klunzen die ons aan het lachen proberen te brengen maar inmiddels de kas leeg graaien. De verkoop van Renault moet nu dringend naar omhoog, ik heb dus een goede daad gedaan.

In de Intermarché vond ik snel wat ik nodig had. Ik heb die plattegrond in mijn geheugen en kan er met gesloten ogen mijn inkopen doen. Een doos waspoeder van Le Chat: check. Vuilniszakken van dertig liter: check. Twaalf flesjes Fada Blanche: check. Een Caprice des Dieux (emballage familiale): check. Afrekenen, buiten, email naar Mia over een beveiligde VPN: “Opération le Chat accompli”. Stempelen maar, baby.

Ik besloot naar huis te rijden, ik voelde me plots doodmoe en was toe aan een drankje. Ik draaide de Rue St-Jean in en nam vervolgens de Avenue du 14 Juillet om eventuele achtervolgers af te schudden. Ik stak binnendoor via de Chemin de la Chapelle de St-Pierre en les Sources Bénis om langs de achterkant van de camping municipal uit te komen bij de Chemin de Counillière. Het was dertien uur, achttien minuten en zes seconden inmiddels. Ik voelde aan mijn water dat ik het zou halen. Ik reed langs de wijngaard en hoorde de sproeiers mist spuiten. Ik kreeg er gratis een regenboog bij. Ik belde naar Mia. ‘Ik ben er over twee minuten en dertig seconden. Zet een pastis klaar en leg mijn bijltje op de trap’.

Ik maakte een stofwolk en kwam bruusk tot stilstand naast het huis. Mia wachtte me op, het groene godendrankje waar ik om had gevraagd in de hand. Ze reikte het me aan en ik sloeg het in één teug binnen. Ik greep naar mijn bijltje. ‘Wat ga je doen?’, riep Mia verschrikt uit. ‘Slangen’, zei ik. ‘Ik zag laatst een nest bij de oude ruïne. Ik ga die krengen de kop afslaan. Als ik niet terug ben om veertien uur twintig, verwittig dan de brandweer. En zeg tegen onze kinderen dat ik van ze hou, meer dan, dan...’. Ik kreeg het er even niet meer uitgeperst. De ruwe bolster met de blanke pit en dat soort dingen.

Ik was thuis om veertien uur achttien met een groenig slijm op mijn kleren en begon aan een brood. Deeg handmatig kneden: twintig minuten. Veertig minuten laten rijzen onder folie (tijd om snel iets te eten en nog een halve meter pastis te elimineren). Ovenschaal invetten, oven voorverwarmen, deeg plat slaan en nog eens veertig minuten laten rijzen. Tussendoor afwassen en beginnen aan het voorgerecht voor vanavond. Brood in de oven: vijfendertig minuten aan tweehonderdtwintig graden. Tijd om de dossiers na te kijken en op te bergen in de brandkast. Prima, Mia heeft dat perfect afgestempeld.

Het avondeten. Ik beperkte me uitzonderlijk tot vier gangen. Ik weet niet wat het is, maar er speelt een onbestemde vermoeidheid. Zou ik besmet zijn geraakt met een radioactieve stof? Straks de geigerteller even raadplegen, je weet maar nooit.

Mia dekte de met kaarslicht verlichte tafel en liet een flesje Chambertin chambreren. Ik kleedde me om voor het avondeten. Ik koos voor de gelegenheid een crèmekleurig linnen pak met een donker hemd en suède schoenen. Geen das vanavond, we houden het informeel. Terwijl er werd getoast ging de zon onder, zo zacht als een oma die een slaapliedje zingt voor haar kleinkind. ‘Als je het niet erg vind, kruip ik onder de wol’, zei ik, ‘ik wil morgen eens een hartig woordje wisselen met dat everzwijn dat onze tuin omwoelt en daarvoor wil ik fit zijn. Of wilde je vanavond nog wat gaan gokken in het casino van Monaco?’

Ach die weekdagen, ze gaan zo snel voorbij.



Comments

Was

Permalink
Vrieeend,

Terwijl ik buiten de propere was ophang, dwalen mijn gedachten af naar de bedelares die vorige zomer asiel had gezocht in de grote eikenhouten toegangsdeur van de basiliek van Saint-Maximin. Vraag me niet wat een bedelares te maken heeft met onze natte was, tenzij het de treurigheid van een washandje aan een wasknijper is, maar ik moest opeens aan haar denken. Aan haar gerimpeld gelaat dat vertelde over verloren veldslagen, aan hoe ze daar zat op haar steentje, stil, starend. Ik vraag me af hoe het met haar gaat tijdens deze bizarre tijden waarin ons gevraagd wordt om afstand te houden en binnen te blijven. 

Ik heb in vroegere jaren nooit bedelaars gezien op het arduin bij de massieve gevel van de kerk. Maar vorig jaar zat ze er ineens, in de koelte van de schaduw, en ze stak haar hand uit naar de paar bezoekers die in en uit gingen. Af en toe bezochten we de basiliek om er ritueel een kaars te branden bij de crypte van Maria-Magdalena —ik ben een ongelovige hond maar ik houd van de sfeer van oude kerken— en dan zat ze daar telkens gehurkt in het deurgat en stak haar hand op. Ik denk dat wij haar een paar keer iets hebben toegestopt, maar zeker weet ik het niet meer.

Toen ik in hartje Brussel woonde maakten bedelaars deel uit van het decorum. De opdringerigheid van sommigen kon me storen. Anderen probeerden me te verleiden door appèl te doen op mijn christelijk schuldgevoelen. Nog anderen zaten gewoon ergens op de grond met een kartonnen bekertje voor zich. Ik vond het steeds moeilijk om de “beroeps” te onderscheiden van de “amateurs”, al zullen het allemaal wel op één of andere manier pechvogels zijn. Soms gaf ik iets, nog vaker negeerde ik ze. Ze zijn ook met zovelen, daar in Brussel.

Hoe overleef je als je je bevind onder de schoenzool van de geregelde samenleving? Soms is het ontbreken van de juiste stempel op een formulier al voldoende om uit de boot te vallen.

Mia heeft nu de grootste moeite om zich te laten inschrijven in de Caisse Primaire d’Assurance Maladie, de Ziekenkas van Frankrijk. En dat heeft voor het grootste deel te maken met de vertraging die we opliepen bij de aankoop van het huis en de daarmee gepaard gaande onmogelijkheid om onze domicilie hier tijdig in orde te brengen. Er zit een gat van zes maanden in haar dossier, er ontbreekt een stempel, ze zit niet meer in het vakje waarin je dient te zitten volgens de matrix van de complexe ambtenarij. Mia heeft nog steeds een vangnet, het is niet levensbedreigend, het is enkel een strontvervelend gedoe dat ze moet in orde krijgen. Maar ze wordt liefst niet ziek nu.

Best mogelijk dat onze bedelares uit Saint-Maximin onderweg een paar keer is gestruikeld over een administratieve steen. Ik weet het niet, ik ken haar verhaal niet, maar soms heeft het te maken met iets waar je zelf geen controle over hebt. En als je pech hebt, wordt de adelaar bedelaar, eindigt de gravin ergens onder een Parijse brug of krijg je het etiket “illegaal” opgekleefd. Het heeft niet noodzakelijk iets te maken met wie je bent als mens.

Misschien is het door het besef van onze eigen kwetsbaarheid dat mijn gedachten die kant opgestuurd worden. Ik weet niet welke richting het uitgaat met de wereld als straks alles weer open gaat. Ik hoop op meer mededogen maar vrees voor hardheid… Als we één dezer nog eens in Saint-Maximin komen, en de bedelares zit op haar plek in het deurgat, zal ik haar iets extra geven. Simpel zal het wel niet zijn, om in je kot te blijven als je geen kot hebt.


Het rommelt rondom, er hangt onweer in de lucht. Ik voel me melig. Ik ga de was binnenhalen.


Comments

Eitjes

Permalink
Vrieeend,

Volgens de Franse wet hebben we strafbare feiten gepleegd. Maar soms is de nood hoog en dan durft men de wet al eens breken. Marie, onze buurvrouw van rechtover, kwam eitjes brengen. We respecteerden, helemaal volgens de regels, de afstand van anderhalve meter sociale leegte tussen twee mensen en deden er zelfs nog een schepje bovenop.

‘Ik zal de twee doosjes eitjes hier buiten op tafel leggen’, zegde Marie en ze legde de twee doosjes eitjes buiten op de tafel. ‘Hoe gaat het met je vader?’, vroeg ik, wetende dat hij reeds een tijdje in een hospitaal in de Vogezen ligt met een vergevorderde diabetes II. ‘Ça va’, antwoordde Marie. ‘Hij is nog steeds zijn koppige zelf. Ze hebben reeds een paar tenen geamputeerd maar waarschijnlijk gaat zijn hele voet er af. Hij zegt dat het in de handen van god ligt... Ik vind het erg dat ik er niet naartoe kan.’ ‘Tja’, zei ik, ‘mijn geloof in het geloof is al niet erg diep. Ik zou mijn lot eerder in de handen van een arts leggen. Maar elk zijn keus… En natuurlijk wil je bij je oude vader zijn nu’. 

Marie verplaatste haar gewicht naar haar andere been en keek wat bedremmeld. Ze zag er een beetje sjofel uit vandaag, zo in haar joggingbroek met bloemetjesmotief onder een lila hoodie. Op haar rug stond de tekst: “I WILL BE BACK”. En ik wist ongeveer bij welk kraam op de woensdagmarkt ze dit ooit had gekocht. Ze deed een haast onhoorbaar stapje voorwaarts en weer een stapje achterwaarts op haar rubberen zolen. ‘Zet je even bij ons in de zon’, stelde ik voor. ‘We drinken samen een koffietje.’ Marie wilde heel graag een tasje koffie. En nog meer wilde ze een praatje.

En zo zaten we met ons drieën aan de grote tafel buiten om de dingen van het leven te bespreken. En zo braken we de wet en pleegden we strafbare feiten want je mag mekaar niet bezoeken zonder een dringende reden. Maar we vonden het voor deze keer wel verantwoord en niemand van ons zou het verder vertellen. En zo deelden we een geheim en werden we samenzweerders. En eens je het pad van de misdaad bewandelt, is het maar moeilijk om opnieuw de rechte weg op te gaan. Het was Mia die even later het vuur aan de lont stak. ‘Ik heb gisteren de bestelling wijn en bubbels van Domaine de Saint-Hilaire ontvangen’, fluisterde zij zacht, bang dat iemand het zou horen die het niet zou mogen horen. ‘Het is bijna middag... doen we een glaasje? Ik heb een fles koud liggen’. We keken schichtig over onze schouder. Geen politie in onze tuin. ‘Vooruit dan maar’, knikte Marie, blij dat we haar nog niet wegstuurden. ‘Eéntje dan’.

En na een glaasje bubbels werden de tongen losser en nam een soort overmoed het over van mijn anders zo strakke zelfdiscipline. Ik besloot om onze schavuitenstreek nog wat verder op de spits te drijven. ‘Kom’, zei ik, ‘we doen ze nog eens vol’. En om alles nog wat spannender te maken zette ik gelijk wat brood, geitenkaas en zuivere olijfolie op tafel. ‘Tast toe, tast toe’, daagde ik Marie uit. Haar weerstand brak al snel en samen proefden we van de verlokkingen van de duivel. En het smaakte zoals enkel een verboden vrucht kan smaken. 

We kletsten maar door en het voelde alsof er helemaal geen lockdown was, alsof het was zoals het eerder was, toen dit onze bijna dagelijkse gewoonte was en je zonder nadenken mekaar op beide wangen kuste ter begroeting en nog een keer ten afscheid, toen je plannen maakte voor een volgend samenzijn en afsprak wie het voorgerecht en wie het nagerecht zou verzorgen zonder dat dit een clandestiene bijklank had. 

‘Ik hoor dat we binnenkort al ritjes mogen maken tot honderd kilometer ver’, zei ik. ‘Ja’, zuchtte Marie, ‘honderd kilometer... dan ben ik nog steeds niet in de Vogezen. Maar het is een begin. Ik ben voorlopig al blij dat ik de straat kan oversteken of even mag gaan wandelen tot in de wijngaard hier achter.’

We zwaaiden mekaar uit en gooiden van ver kushandjes naar elkaar. Marie vertrok. Naar haar huisje aan de overkant waar zij woont met haar honden en haar katten, haar kippen en haar kreupele oude paarden. Het was goed om even de wet te breken en samen, op veilige afstand van mekaar, aan de grote tafel te zitten. We zijn inmiddels zeven weken in afzondering en we verlangen naar bewegingsvrijheid en een knipbeurt. Met omhelzingen zullen we nog wat moeten wachten.

Ikzelf wil graag mijn kinderen nog eens knuffelen. Zo hard dat ze in ademnood verkeren en we ze, eens ik ze loslaat, via mond-op-mond beademing terug tot zichzelf moeten brengen. Ik besloot als alternatief dan maar om het boomknuffelen eens uit te testen. Gelukkig hebben we in onze tuin wat prachtige eiken waar ik me kan rondkronkelen. 

En zo’n boom kan wel wat hebben. Je mag daar al eens flink in knijpen. Alleen, het doet mij meer pijn dan dan de boom. Zodoende ben ik daar al snel weer mee gestopt.



Comments

Mooie dingen

Permalink
Vrieeend,

We hadden een paar grijze regendagen laatst. En dan weet je, als straks de zon gaat schijnen, krijgen we een nieuwe tuin. Het zaad lag te wachten op water en ultraviolet om te ontkiemen, wat dan ook met een explosieve kracht gebeurde. Het gras staat plots twintig centimeter hoog, de tijm staat purperkleurig in bloei, we hebben orchideeën naast pissebloemen, boterbloemen, immortelle, witte, roze, lila “weet ik veel welke soorten” flora door mekaar. Alles schiet de lucht in. Het is kleur à la Matisse en het staat vòl.

De tuin ruikt naar een winkel van geurkaarsen en etherische oliën. Maar beter. Veel beter. En ik weet dat dit de gevaarlijkste periode van het jaar is. Mia staat ‘s ochtends op met een glimlach zo breed als een garagepoort met openstaande deuren. Zij zit in een euforisch geëxiteerde fase en ik weet dat ik nu onze keukenmessen moet verbergen want ze is in staat om zich beide oren af te snijden, zo opgewonden als ze is.

Ik doe alle deuren op slot en houd de sleutels bij me. ‘Eerst ontbijten’, zeg ik, ‘dan mag je buiten’. Niet dat ik haar wil beknotten in het spel, maar we hebben nu eenmaal afgesproken dat we voor mekaars gezondheid zouden zorgen en zonder een goed ontbijt stuur je niemand het veld in toch?

Gisteren kwispelden de takken van de bomen en schudde de wind aan hun kruinen. Maar achteraan, op ons terras, had je daar geen last van en leek het al zomer. Mia verdween aldra in de tuin om te gaan vechten met de slakken die haar jonge kweekplantjes opvreten en ik trok me terug achter de Rubicon met een boekje dat ik vond in de bib die hier in de loop der jaren is aangelegd en die we samen met de inboedel overnamen. Vooral veel vakantieliteratuur uiteraard. Ons huis heeft dan ook gedurende een paar decennia dienst gedaan als zomerverblijf. Cicero of Heidegger moet je niet verwachten in het boekenkastje beneden. Ik probeerde een Agatha Christie maar dat viel heel erg tegen. Met alle respect, dat valt niet meer te lezen vandaag. The Great British Empire waarbij de blanke Brit superieur is aan de onderdaan uit de kolonies. Brrr. Het hele sfeertje maakte me ongemakkelijk. Als iemand ze hebben wil?

Ik koos een boek van Chandler, met Philip Marlowe in de rol van privé-detective. Zalig. Het verhaal gaat vooruit aan honderdtwintig per uur en is geschreven als een lekker snoepje. Ik waande me op vakantie en kreeg zowaar flash backs aan juli- of augustusmaanden uit de jaren die we hier met onze moeder doorbrachten. Ik ben geen aanhanger van “de Goede Oude Tijd”, het “nu” is me ondanks alle rotzooi veel te opwindend en het is tenslotte de enige realiteit waarmee we het moeten doen. Maar de herinnering aan een stukje leven dat voorbij is, voelde warm en prettig. 

De namiddag kabbelde door. Af en toe dook Mia even op en transformeerden we water en wijn tot urine en zweet. Dagen zoals deze hebben een air van eeuwigheid. Omdat ze bestaan uit repetitieve handelingen die de mens reeds sinds zijn ontstaan volbrengt. De voldoening die je kan halen uit het kneden van het deeg waarmee je brood bakt of het koken van een ei. Dat soort kleine elementaire dingen. Leven in een stilte die enkel wordt gebroken door een nerveus koppeltje gaaien die hier hun nest hebben of het zalige gekwetter van een kwikstaartje, het geritsel van een pagina die je omslaat, het Grote Wachten…

We kijken uit naar het moment dat de grenzen en de kapsalons opengaan. We hebben kinderen die we in onze armen willen sluiten, want dat was al veel te lang geleden. Zij zouden hier nu in de zon moeten zitten met een aardig boekje. Zodat zij over zovele jaren kunnen terugdenken aan die tijd die ze hier doorbrachten met hùn vader en hùn moeder. En dat het hen dan ook warm en prettig aanvoelt om daar even aan terug te denken. 

Mooie dingen moet je doorgeven.



Comments (1)

Dokter

Permalink
Vrieeend,

Ik heb reeds vijf dagen een barstende hoofdpijn. Alsof je een kater hebt die maar niet wil wijken. Vooreerst grijp je naar de beproefde middeltjes van veel water drinken, een hard gekookt eitje bij het ontbijt en desnoods een pilletje in een dosis van 500mg. Indien nodig, een paar uur later nog eens een pilletje van 500mg en een zure augurk. ‘Laat ik maar een dutje doen na de middag’, denk je dan. ‘Er is me duidelijk iets verkeerd gevallen gisterenavond, dat kan gebeuren en dat gaat ook weer voorbij’. Maar het ging niet voorbij. Ook de dag erna niet. En toen werd mijn linkeroog waterig en klein. 

‘Het zijn je sinussen’, zei Mia. ‘Je moet ze flink doorspoelen met fysiologisch serum’. Wat ik dan ook deed. En nogmaals en nogmaals. En dan begon de hoofdpijn te reizen. Van voor naar achter, van links naar rechts, van boven naar onder en op en neer. Het was pas dan dat ik écht ongerust werd. Stel dat er een Nederlandse Amerikaan in mijn hoofd zit? Vrieeend, je wil dat niet. Ik slikte eens een ander soort pilletje. Iets van 400mg. De hoofdpijn werd enkel nog erger.

Mia was inmiddels druk op zoek naar info. Ze consulteerde The Lancet en vroeg me of ik keelpijn had. ‘Neen’, zei ik. ‘En ook geen druipneus, geen smaakverlies, geen spierpijn, geen koorts, ik moet niet hoesten. Op de Bristol stoelgangschaal scoor ik tussen de drie en de vier, wat op een perfect normale constitutie van de faeces wijst… Ik heb behalve een moordende koppijn geen enkele van de symptomen die je nu vooral niét wil hebben.’

Mia maakte me thee met absint en salie uit de tuin. Het smaakte ongelofelijk bitter en ik ging er, enigszins tot mijn spijt, niet van hallucineren. Ik kreeg wel erge jeuk op mijn kruin, maar dat kon ook een andere oorzaak hebben. Ik ging ook een klein beetje loensen vanwege mijn lodderig linkeroog en gaf nu de schuld aan de pollen die momenteel de lucht ietwat groen kleuren. ‘Ik ben plots allergisch geworden aan iets’, verklaarde ik en Mia bestookte Google met vragen over hooikoorts. Maar het zou een zeer ongewone allergie moeten zijn, zo zonder tranen en snot. We vonden geen antwoord en de hoofdpijn bleef zeuren. Ik trok me in mijn radeloosheid niets meer aan van vervaldatums en slikte heel ons medicijnkastje leeg. De pijn wilde niet wijken maar ons kastje was tenminste eens leeggeruimd.

Ik las toevallig iets over de “Triumph des Willens”. Dat klinkt een beetje vies, ik weet het, maar ik probeerde het toch even uit. Mind over matter. Ontkennen. Negatie. Zelfhypnose. Misschien dat…?

Trap er niet in! Het is bullshit (of moet ik “Bullenscheiße” zeggen?). Hoofdpijn kan je niet zomaar wegdenken.

Vannacht dacht ik in mijn wanhoop dat enkel een guillotine nog verlossing zou kunnen brengen.

Zeer tegen mijn zin en mijn natuur in (ik ben nu eenmaal een vent, ik vraag nooit de weg als ik verloren rijd, ik repareer gescheurde broekzakken met nietjes en kleefband en ga niet naar de dokter tenzij onder dwang) besloot ik de arts uit het dorp te consulteren. Ik belde en kreeg de zeer prettige stem van dokter Morgane Brancato te horen. Ik vertelde kort wat er aan de hand was, gaf mijn naam en emailadres op waarna ik een link ontving waarmee ik een app kon installeren.

Een uurtje later was ik in gesprek via wifi, camera en microfoon met mijn dokteres en mocht ik mijn verhaal doen. ‘Je hebt bijna zeker een ontsteking van je sinus’, verklaarde dokter Brancato. ‘Vandaar je oogaandoening en je hoofdpijn die wat heen en weer wandelt. Ik schrijf je iets voor. Als het niet beter gaat over een paar dagen kom je maar naar mijn cabinet en dan doe ik een uitgebreider onderzoek. Maar het heeft zeker niets te maken met het virus, wees gerust.’ Mia had het goed aangevoeld van bij het begin. Het zijn mijn ouwe sinussen die toe zijn aan een groot onderhoud.

Even later kreeg ik een gepersonaliseerde link in mijn mailbox waarmee ik het voorschrift kon uitprinten en straks ga ik naar de apotheek.

Zo zal het dus steeds vaker verlopen. Een consultatie bij de dokter via laptop of smartphone, mondmaskers en afstand houden. 

De nieuwe tijd, wen er maar aan.



Comments

Franck Pero

Permalink
Vrieeend,

Hij droeg een te vaak gewassen zalmkleurig t-shirt en geurde naar aftershave van Nivea. Ik zocht vergeefs naar het logo van Lacoste op zijn borst, maar hij maalde duidelijk niet om dat soort dingen. ‘Gaat alles goed met jullie?’, was zijn openingszin. ‘Ja hoor, dank u’, antwoordde ik, ‘Ik hoop met u en uw familie ook?’. ‘Prima’, lachte hij. ‘Hier zijn de ruwe maskers die Mia wil afwerken. Hebben jullie nog genoeg garen?’ ‘Ja, dat zit wel goed’, zei ik, ‘Anders had ze het wel in haar berichtje gezet. We zorgen ervoor…’. Hij knikte. ‘Blijf in goede gezondheid en hou nog even vol’.

Ik nam de papieren zak met de onafgewerkte mondmaskers in ontvangst en zwaaide ten afscheid. Ik stak het mistroostige tuintje met het verdroogde gazonnetje, of wat daar moet voor doorgaan, over en stapte de straat van de woonwijk op. Ik keek nog éénmaal om naar het geel geverfde huisje, naar de oprit met de twee kleine gezinswagentjes. Van één ervan stond de koffer wijdopen en ik zag dat die vol zakken met materiaal stond: stoffen, linten, rolletjes wit touw… Ik opende het portier van onze wagen, ontdeed me van mijn beschermende handschoenen en mondmasker en vertrok. 

Ons dorp lag er wat ontzield bij. De bakker was dicht. De slagerij was afgesloten met een metalen grill, vastgeklonken in de muur met ketting en hangslot. De terrasjes van Café du Sport en Le Nemrod waren leeg, de rolluiken stevig neergelaten. Onze dorpsgaragist, waarop de tijd geen vat lijkt te hebben en die er reeds veertig jaar hetzelfde uitziet, zat niet op zijn vertrouwde bankje onder de plataan. Aan de boulodrome bij les Allées lag wat zwerfvuil en het gras op het sportveld stond behoorlijk hoog. Op een muurtje lag een kat zich te warmen in de zon.

Ik nam de weg naar omhoog en tien minuutjes later was ik alweer thuis.

‘Heb je het gevonden?’, vroeg Mia. ‘Ja’, zei ik, ‘derde huis links na de apotheek. Het is een eenvoudige woonst in de nieuwe wijk achter het schooltje. Niks fancy, zo doorsnee als maar mogelijk. Alles aan die man is zo gewoon dat het hem óngewoon maakt.’ ‘Ik weet het’, zei Mia, ‘Wist je dat, toen een paar jaar geleden het vernieuwde cultureel centrum werd geopend, de muren werden beklad met graffiti? Er was nogal wat om te doen in het dorp, genre “ze moesten dat crapuul opsluiten” en van die dingen. Hij reageerde daar totaal niet op maar zette twee dagen later een foto op de website en Facebook van Bras. Hij had gewoon alles opnieuw laten schilderen. Probleem opgelost. Geen GAS-boetes of wat autoritair staan blaffen, geen provocaties, geen grote woorden, geen profilering, geen veroordelingen…’

‘We zouden die man moeten klonen en daarmee de wereld besmetten, als een soort anti-virus’, stelde ik voor. ‘Ik ken hem eigenlijk niet, ik kan hem dus enkel beoordelen op zijn daden. Maar door zijn vriendelijkheid en zachtheid straalt hij rust uit. En hij pakt de zaken wel aan, toch? Slaapt die mens eigenlijk wel? Misschien is hij wel een cyborg of een alien.’

Mia inspecteerde de ruwe maskers en gooide een blik op haar voorraad garen. ‘Het zal wel lukken’, knikte ze gerustgesteld. ‘Ik bel of mail hem als alles klaar is. Komt hij ze zelf halen of doen wij ze naar het dorp?’. ‘Daar hebben we het niet over gehad’, antwoordde ik, ‘Dat spreken we wel af. Ik wil best de rit doen, onze burgemeester heeft werk genoeg zo.’

Franck Pero heet hij, en Franck Pero is onze totaal a-typische burgemeester. Nu president Macron aankondigde dat hij de lockdown-maatregelen vanaf 11 mei wil loslaten, is onze burgemeester begonnen met het uitdelen van mondmaskers aan alle bewoners van ons dorp. Gratis. Hij rekent daarvoor op de inzet van vrijwilligers zoals Mia om een paar duizend maskers te hebben tegen die tijd. Niemand gelooft dat het virus half mei zal zijn verdwenen, dus raadt onze burgervader iedereen nu reeds aan om voorzichtig te blijven. Het risico op een nieuwe besmettingsgolf is niet denkbeeldig en hij wil al zijn burgers een maximale bescherming geven.

Onze buurvrouw, Génévieve, belde. Of we het gehoord hadden? Dat Macron de mensen terug de fabriek wil injagen? Terwijl iedereen weet dat het nog niet gedaan is met “ce putain de virus”! ‘Mais qu’est-ce qu’ils font à l’Elysée, cette bande de…  ?’ Ik zegde haar dat we nog heel voorzichtig zullen moeten zijn de komende maanden, dat we inmiddels ook in onze familie weten wat het virus aanricht en dat we het niemand toewensen.

Mia zette zich achter haar Bernina en begon aan de klus. ‘Is het goed dat ik Die Krönungsmesse van Mozart nog eens draai terwijl jij aan het werk gaat?’, vroeg ik aan Mia.

Het was goed.




Comments

Escapisme

Permalink
Vrieeend,

Indien we naast een riviertje zouden wonen en een bootje hadden, dan zouden we ons kunnen laten meedrijven naar zee. Ik zou een witte pet met geborduurd anker op mijn hoofd hebben, een pijpje roken en één hand ontspannen aan het roer houden. Rond mijn ogen zouden zich diepe rimpels aftekenen. Rimpels die er zijn gekomen vanwege het half dichtknijpen van mijn ogen omdat de zon zich immer reflecteert in het water en me anders zou verblinden. Mijn huid zou getaand zijn omdat dat één van de consequenties is van leven op een boot. Ik zou Mia aanspreken met “Kapitein” en zij zou antwoorden met “aye aye Kapitein”. In een kastje van de kombuis staat een fles rum en een fles pastis. Maar dat is voor later. Nu drinken we eerst espresso uit de Bialetti die staat te pruttelen op een klein vuurtje en we zwaaien naar de mensen daarboven op de brug waar we onderdoor varen.

Als er een hele hoge berg in onze tuin zou staan dan grepen we ons bergbeklimmers- materiaal, we deden zware Dagsteiners aan onze voeten en kleedden ons warm aan. Dan namen we de kabellift tot net boven de boomgrens en dan klommen we vandaar te voet verder naar de top om er een uurtje of zo te genieten van het uitzicht. ‘Ik neem nog wat druivensuiker’, zou ik zeggen, ‘want een mens verbrandt nogal wat calorieën tijdens zo’n klim.’ ‘En ik neem een energiereep’, zou Mia zeggen, ‘want straks, beneden, moeten we nog een stuk door het regenwoud, en wie weet wanneer we ooit nog een deftige hap krijgen. In het oerwoud weet je nooit. Misschien moeten we overnachten in een vergeten tempel die nu wordt bewoond door een familie capucijneraapjes.’

En hadden we een luchtballon, dan zou ik de rieten picknickmand inladen, een fles gekoelde champagne ernaast zetten en mijn lederen helm opzetten. Een met wol gevoerde pilotenvest zou me beschermen tegen de kou terwijl we gedragen door de wind de zonsondergang tegemoet zouden drijven. ‘Waar wil je heen?’, zou ik vragen. ‘Naar Machu Picchu, het laatste fort van de Inca’s’, zou Mia zeggen. ‘Goeie keus’, zou ik antwoorden, ‘ik zal met behulp van de sextant de koers uitzetten. Diep jij me even een stukje koude kip op uit de picknickmand? En gooi ook even een zakje ballast uit want we moeten stijgen.’ En ’s avonds laat, want de reis is lang, zouden we een brief naar de kinderen schrijven. We zouden die in een lege fles stoppen en in de zee gooien waar we net overvliegen. Zo zouden ze weten dat het goed gaat.

….

‘Wat zit je te dromen?’, vraagt Mia. ‘Niks’, zeg ik, ‘ik was een vakantiereisje aan het plannen. Voor wanneer de oorlog voorbij is. Maar ik ben er nog niet helemaal uit.’


Comments (3)

De Nieuwe Wereld

Permalink
Vrieeend,

En toen stopte de oven ermee. Na één minuut voorverwarmen was het gedaan. De warme lucht werd koude lucht. Hinderlijk. Ik gebruik dat apparaat intens bij het bereiden van onze dagelijkse warme hap, het is stilaan een dierbare en vertrouwde keukenvriend geworden. We bakken er ook brood mee omdat we niet zo heel vaak naar de bakker mogen wegens besmettingsgevaar. Maar ons bakbeest gaf het plots en onverwacht op. Finaal.

Misschien besefte het apparaat dat het moment was aangebroken om plaats te maken voor iets nieuws, omdat het al bijeen een energieverslindende machine was? Misschien besliste onze oude combi om, solidair met de wereld, een pauze in te lassen? Om er gewoon eens even mee te stoppen, met dat rondjes draaien van zijn glazen bakplateau? In elk geval, het noopte me om met deze situatie om te gaan en naar oplossingen te zoeken. 

We zouden gewoon kunnen afwachten, misschien herstelt de oven zichzelf wel. We zitten tenslotte in de paasperiode en er zijn sommige stammen die geloven dat dan hun goden wederopstaan uit de dood. Misschien dat ook onze oven weer levend wordt? Of ik zou wat kunnen mediteren en wat goeie vibes naar de oven sturen? Dat schijnt de zaken ook erg vooruit te helpen.

Tevergeefs, niets hielp. Behalve dan dat ik me erg ontspannen voelde na de diepe meditatiesessie. Ik moest dat maar eens wat vaker doen. Zen en zo…

Ten einde raad ben ik het even gaan opzoeken op www.combi-oven.com. Hoogstwaarschijnlijk is er binnenin een plastic contactlipje afgebroken. Het internet leert me voorts dat je dat onderdeel kan bestellen en de panne zelf kan herstellen óf dat je een technieker laat langskomen die de oven voor jou repareert. Beide opties zijn om duidelijke redenen momenteel uitgesloten. Toch heb ik koppig het ding even opengevezen. Je weet tenslotte maar nooit of het niet beter is om bij het oude te blijven. 

Ik mat de temperatuur, die geheel naar verwachting behoorlijk fout scoorde. Ik bekeek de motor die alles aan de waggel moet houden. Ik draaide vijzen los en weer vast… Ik heb alles dan maar weer dichtgegooid. Geen beginnen aan. Dit is iets voor mensen die weten hoe ze een bestaand systeem in stand kunnen houden met behulp van een gedetailleerde handleiding én een nieuw plastic contactlipje. 

Als de kleine apparaten het laten afweten tijdens de grote quarantaine heb je dus een probleempje. Het is niet levensbedreigend, maar daarom niet minder vervelend. Alle niet-essentiële winkels zijn gesloten, dus moet je geduld hebben tot “het” over is. Maar ik héb geen geduld. Toch niet als het over hete lucht en grillen gaat. We zijn dus wat gaan shoppen op het wereldwijde web. Er mag nog steeds aan huis geleverd worden door electro-ketens. Zolang er aan de voorwaarden van “afstand houden” en “mondmaskers dragen”, wordt voldaan. Hoera!

Vijf dagen heeft het geduurd. En toen kwam er een bestelwagentje langs dat beneden aan het begin van onze tuin een grote doos uit de laadruimte gooide. De bestelling aftekenen was niet nodig deze keer. Te gevaarlijk. Het zal me worst wezen, ik heb een nieuwe oven. En deze keer is het geen nukkig combi-onding dat microstralen koppelt aan warme lucht maar een zuinige en volwaardige grote oven van een betrouwbaar Italiaans merk. En “Italiaans” betekent dat er oog voor design is. Die Romeinen weten hoe dat moet, schoonheid koppelen aan functionaliteit. Lang leve Rome en van die dingen.

Nu ik aan de slag mag met zulk een mooi apparaat heb Ik het gevoel dat ik in een nieuwe wereld ben wakker geworden. Straks kneed ik het deeg en een paar uur later zal ik het vers geurend brood op de snijplank leggen. En vanavond braden we een stukje eendenborst, roze vanbinnen en toch helemaal gaar. Ik droom nu reeds van groenteschotels uit de oven, misschien ga ik in de nabije toekomst zelfs eens nadenken over cake en taart voor de hele buurt.

We beleven de eerste mooie voorjaarsdagen en ons buitensalon staat, ontdaan van beschermende winterhoes, op de westkant van het terras zodat we kunnen genieten van een weldoende late namiddagzon. In gedachten dek ik daar straks de tafel, zodat we onze ovenschotel kunnen eten bij een trage zonsondergang. En we blijven buiten in onze verstilde tuin tot we de grens tussen klaar en donker bereiken, tot het te fris wordt en we gezellig binnen bij onze Italiaanse oven gaan zitten om ons een beetje op te warmen.

En als we straks gaan slapen, vergeten we voor even alle deprimerende grafieken die nu het nieuws beheersen en vluchten we in dromen die onze smaakpapillen prikkelen. In Bras is de nieuwe wereld bij deze al begonnen. Nu de rest nog.


Comments (1)

Camera

Permalink
Vrieeend,

Aangezien we van overheidswege verplicht een beetje vastzitten op onze heuvel valt er niet zo heel veel te beleven. Ik besluit dus om vandaag “levende camera” te spelen. Het is eenvoudig, mijn ogen zijn de camera en mijn lichaam is het statief. Ik ga voor het formaat “Panavision”, dus is er boven en onderaan een zwarte strook op je denkbeeldige scherm. Ik neem positie op de linkerkant van ons terras en zal vandaar via “panning” een cirkelbeweging maken van ongeveer 180°. Als soundtrack denk ik aan de Vier Seizoenen van Vivaldi. Iedereen kent dat en dat gaat altijd goed samen met natuurbeelden. Je mag er ook een voice-over van David Attenborough bij bedenken, een rustige stem die ons bij de hand neemt en met een licht onderkoeld maar toch voelbaar enthousiasme vertelt over de wonderen van Moeder Aarde.

Daar gaan we…

Het scherm is zwart maar licht langzaam op (ik doe gewoon mijn ogen open). Stenen muurtje, boompje, boompje, boompje, trosje boompjes, naaldboompje, boompje, trapje naar beneden, boompje, stenen muurtje, boompje, boompje.

Ik zoom in. Boompje, Mia die een putje zit te graven, stukje van onze straat, bomen, heuveltje met bomen, bomen tot aan de horizon… Ik zoom uit terwijl ik nog steeds draai. Bomen, boompjes, de achterbumper van onze wagen, de zijgevel van ons huis, het raam van onze woonkamer. En cut!

Nieuw camerastandpunt, kikkerperspectief. Plastieken gieter, steentjes, tijm, tijm, rozemarijn, bloempje, tijm, een insect op een bloemetje, tijm, stenen, stenen, een soort gras, droge stekers, Mia’s voeten voor mijn neus. En cut!

Voor de volledigheid zal ik ook nog snel even de lucht beschrijven. Blauwe lucht, blauwe lucht, blauwe lucht…

………

Okee, dan zal ik nu maar eens een afwasje doen zeker? En mijn kamer eens opruimen. 

Die lockdown, een mens komt weer helemaal bij zichzelf. 

Naar ’t schijnt.



Comments

Rolmodel

Permalink
Vrieeend,

Soms komt hij in onze tuin. Dan schurkt hij zich uitdagend en brutaal tegen de bast van een steeneik en wroet de aarde om. Hij laat een spoor van modder na en verwoest de plekken waar Mia moeizaam tracht haar kleine truffelkweek op te zetten. Wij durven er niet tegenin te gaan. De enige wijze waarop we hem proberen te bezweren is door hem een naam te geven. ‘Donald’ leek ons passend voor deze 250 kilogram wegende bruut. Donald is een everzwijn. En hij maakt ons het leven zuur.

De jacht is nog niet ten einde in de Provence, geen wonder dat het verwaarloosde stuk in de verste hoek van onze tuin asiel biedt aan het wild dat tracht te ontkomen aan de hagelpatronen van de viriele jagers in hun modieuze camouflagekleding.

Tot dusver is onze Donald nog steeds een solitair zwijn. Al weten we dat niet zeker. Voor mij zijn alle Donalds klonen van mekaar en misschien laten ze zich slechts één per één zien. Om ons in verwarring te brengen bijvoorbeeld. Met Donald weet je het tenslotte nooit. Is die nu slim? Of doet die gewoon zomaar wat?

We blijven weigeren om onze tuin af te sluiten met een omheining. Alles en iedereen mag hier voor ons part binnen en buiten lopen. We nodigen soms zelfs een uitgedroogde wandelaar uit voor een glas water of een tas koffie. Onze straat is namelijk één van de duizenden wegen die naar Compostela leiden en het gebeurt al eens dat er een groepje prevelende boetedoeners langskomt. Heel soms draagt de leider een houten kruis en buigen de volgelingen het hoofd terwijl ze doen wat ze het beste kunnen: volgen.

Af en toe komen er zich wat wagens draaien op onze oprit beneden. Ook dat mag. Mijn vaders moeder, oma zaliger die bij ons inwoonde, had daar een andere visie over. Ons ouderlijk huis bevond zich in een doodlopende straat en het gebeurde dat de oprit naast ons huis dienst deed als extra ruimte voor wagens met een te grote draaicirkel. Mijn grootmoeder kon zich daar vreselijk in opwinden. “Ze moeten van ’t ons blijven”, zegde ze dan. 

Op een dag zagen we haar zeulen met een stevige plank die ze in de garage had gevonden. Even later kwam ze vragen naar een zware hamer. Ze viel op haar knieën en we zagen haar zwoegen en kloppen. Tot ze weer rechtstond en goedkeurend het resultaat van haar inspanningen bewonderde. Ze had een twintigtal lange kepernagels door de plank gejaagd en die plank lag nu, met de scherpe nagels naar boven, vooraan op de oprit. Dat zou hen wel leren, al die vreemden die zich kwamen keren “op ’t ons”. 

’s Avonds kwam vader nietsvermoedend thuis van zijn werk en draaide zwierig de rijlaan op. Hij kwam vijf meter verder tot stilstand met vier geperforeerde banden…

We denken er dus niet aan om onze tuin af te sluiten. Laat de mensen uit de buurt hun wagens maar keren daar beneden. Laat de vossen, de hazen en de everzwijnen zich maar verbergen in het struikgewas. Misschien richten we zelfs een klein altaartje op ter ere van de Romeinse god Asyleaus, de beschermheer van de zwervers. Omdat iedereen recht heeft op wat veiligheid, of tenminste de illusie van.

En de volgende keer dat we Donald zien, zal ik hem zeggen dat hij zijn leven heeft te danken aan de inzichten die ik kreeg dankzij mijn grootmoeder. Want soms denk ik: “Wat zou grootmoeder hebben gedaan in dit geval?”, en dan doe ik net het omgekeerde. Rolmodellen, ze zijn echt wel belangrijk in iemands leven en ontwikkeling, toch?



Comments

Aucune information utilisateur ne sera partagée via ce site Web
No user information will be shared trough this website