Winter in Lorgues
Vrieeend,
De winter heeft ondertussen ook de Provence bereikt. Niet met een pak sneeuw en ijzel zoals in het noorden, maar met nachtelijke vrieskou en polaire lucht. In Lorgues houden we daar niet van. We ondergaan het, maar we houden er niet van.
“Ik heb geen zin (hij heeft geen zin) om op te staan (om op te staan).
Met mijn blote voeten op het kouwe zeil…”
Terwijl ik ontwaak uit een rare droom schiet een flard uit een liedje van Neerlands Hoop uit de jaren zeventig me te binnen. Alles in mijn slaapkamer voelt koud, behalve onder mijn dubbele winterdons en zware bedsprei. Daar is het knus en ik zoek naar redenen om nog wat te blijven liggen. Maar helaas, de natuur roept en ik moet er noodgedwongen uit.
Het had ’s nachts flink gevroren. Het was dinsdag en volgens mijn zelfopgelegde routine moet ik dan de straat op, inkopen doen.
De marktkramers probeerden zich warm te houden door te stampen met hun voeten en te blazen in hun verkleumde handen. Ik zat er beetje mee in. Die mensen zijn aan hun kraam gebonden en kunnen niet zomaar even een koffietje gaan drinken om zich een paar minuutjes op te warmen. De enigen die zoals steeds opgewekt “bonjóóóur, comment ça vaaaaa?” zongen, zijn de dochters van het kippenkraam. Die staan nu gezellig met hun rug tegen het spit waaraan de kippen langzaam goudkleurig braden en houden het op die wijze lekker warm. De andere kramers zien het met lede ogen aan en verbijten hun lot.
‘Doet het pijn?’, vroeg ik aan de verkoper van verse eitjes en de zelf gemaakte geitenkaas. ‘Verschrikkelijk’, antwoordde hij terwijl hij zijn muts nog wat dieper over zijn ogen trok, ‘elk jaar opnieuw krijgen we twee weken winter, dat is twee weken ondraaglijk afzien. Ik weet niet hoe lang ik dit nog volhoud. Soms denk ik dat ik er beter een einde aan kan maken. Ik heb alles al geregeld, testament en zo…’. ‘Moed’, zei ik, ‘ik woonde tot een paar jaar geleden in België, ik weet wat je doormaakt’. Zijn ogen vulden zich met tranen. ‘Vergeef me’, sprak hij schor, ‘ik besefte het niet… kom hier’. En hij trok zich tegen me aan en gaf me een troostende knuffel. ‘Zes eitjes, dat is dan twee euro en zestig cent’, fluisterde hij zacht in mijn oor.
Ik betaalde en begaf me naar het groentekraam waar de eigenaar zijn neus trachtte te ontdooien middels het roken van een sigaartje maar hij kreeg zijn aansteker niet aan de praat. Hij knarste dan maar een paar keer “putaing” en zocht naar een plekje waar hij uit de koude wind kon gaan staan. Maar hij had zijn kraam op een slechte hoek gezet en er was voor hem geen ontkomen aan.
Zelfs in mijn lange winterjas kreeg ik het koud, daar op de boulevard. De ijswind blaast snijdend door elke kier en elke opening in je kleren en geselt je onbeschermde oren. Vooraleer het bloed in mijn aders dreigde te bevriezen, begaf ik me snel naar huis.
Toen ik binnenkwam, was het onnatuurlijk koud daar op het vierde. Terwijl ik mijn inkopen deed, was de stroom uitgevallen - een bevroren bovenleiding of een vastgelopen wissel vermoed ik - en aangezien ik mijn appartement verwarm met elektrische radiatoren was dat een tegenvaller. Ik knipte de hoofdzekering een paar keer aan en uit en kreeg na een paar minuten alles weer aan de praat. Ik regel elke radiator afzonderlijk via een app die over wifi gaat en van zodra ik weer internet had, kon ik de boel opnieuw kalibreren en schoot de verwarming in gang. Het was inmiddels nog slechts 14° in huis en dat is redelijk fris voor de tijd van het jaar. Maar goed, klagen helpt niet en in tegenstelling tot een pak minder fortuinlijke mensen heb ik tenminste een dak boven het hoofd.
Met een paar sjalotten, twee stengels prei en een bosje platte peterselie maakte ik me een grote pot soep en ik bedacht dat echte warmte, net zoals ware schoonheid, vanbinnen zit. Dat is niet waar natuurlijk, een lelijkaard blijft gewoon een lelijkaard en zelfs een pinguïn moet zich beschutten tegen bevriezing, maar het klinkt diep en je kan met deze gedachte zowel de goedgelovige lelijkaard als de kouwelijke mens troosten.
Mijn radiatoren stonden inmiddels roodheet en na een uur of twee was mijn woonst terug enigszins op temperatuur. Als gevolg draaide de elektriciteitsmeter dan ook aan een hoger tempo dan me lief was. Ik keek het even aan en toen schoot er me nog zo’n diepe Tibetaanse Lama-quote te binnen: “Great power comes with great electricity bill”.
Bij het denken aan de factuur op het einde van de maand moest ik even zuchten.
De winter in Lorgues, we ondergaan het, maar we houden er niet van.
