Marthe
Vrieeend,
‘Paps, je staat helemaal scheef’, zegde mijn dochter. Tja, ik heb al zolang ik me kan herinneren een zwakke rug en na het opstaan ’s ochtends duurt het even vooraleer alle wervels hun vaste plek hebben hervonden. ‘Ik zou wat meer moeten bewegen’, gaf ik toe.
Marthe doet reeds een paar jaar aan Thaiboksen en heeft een brevet waarmee ze een fitnesspubliek mag coachen. Ze weet elke spier liggen en kent inmiddels dus wel een paar truukjes waarmee je je fysiek kan oppeppen.
Ze sommeert me naar de sportwinkel van Brignoles en zoekt wat spullen uit waarmee ze me wil laten trainen: twee kleine halters, drie elastieken banden met een verschillende weerstand om rond je polsen of knieën te doen, een yogamat voor de grondoefeningen.
Thuisgekomen beginnen we meteen met een spierversterkende training voor schouders, buik en billen. Ik moet twaalf keer na elkaar hef-, plooi- en strekbewegingen maken en heel dat setje minstens twee keer per dag herhalen.
Het werkt. Toch als ik afga op de milde spierpijn die ik daags nadien voel.
Vooraleer ik de indruk wek dat het bezoekje van mijn dochter op een bootcamp leek, we deden ook best wat leuke uitstapjes in de buurt. Tenminste, op de dagen dat de zon het ons toeliet om buiten te komen. Het is maart en dat betekent veranderlijk weer. Dat is zo in het noorden en dat is zo in het zuiden.
We deden inkopen op de zaterdagmarkt van Carcès en dronken er koffie op een zonnig terras. We wandelden rond het hooggelegen Tourtour en hadden van daaruit zicht tot aan de Mont Saint Victoire die zeker tachtig kilometer verderop ligt. Naar het oosten zagen we afgetekend de besneeuwde toppen van Les Hautes Alpes liggen.
We maakten een stop in Villecroze waar huizen zijn uitgehakt in een steile rotswand. We aten een pannenkoek in Cottignac en we wandelden rond het kasteel van Entrecasteaux. We liepen langs de middeleeuwse torens en de restanten van de omwalling van Lorgues en passeerden het tempelierenhuis en het irrigatiesysteem dat zij ooit samen met de cisterciënzers van Le Thoronet bouwden om de omliggende velden vruchtbaar te maken.
Op zondag goot het. We keken in de namiddag naar Putain, de dramareeks die Zwangere Guy maakte over opgroeien in Brussel. ‘Kijk, dat is Lotte’, zegde Marthe, ‘Ik wist niet dat die ook meespeelde. En daar is Niels. Ken je die nog? Die viel altijd in slaap. Die is nog komen logeren bij ons. En daar, dat is gefilmd vlakbij waar ik woon. En dat is opgenomen in Mabo, de school waar onze Wiet zat’.
Mijn zoon leverde een paar bescheiden stukjes muziek voor de reeks en we probeerden te ontdekken waar ergens zijn bijdragen zaten. Marthe herkende sneller dan ik de sound van haar broer, maar dat verwonderde me niet.
We bekeken één na één alle afleveringen en na de eindgeneriek waren we er lichtelijk van aangedaan. ‘Putain’, zegden we tegen elkaar, ‘Putain, het rotte en corrupte Brussel… een stad die je wil haten en waar je tegelijk zo van kan houden’.
‘Overmorgen moet ik terug’, zei Marthe, ‘terug naar mijn poezen, mijn appartement, mijn wijk op vijf minuten stappen van Metro Clemenceau waar men met oorlogswapens op mekaar schiet terwijl de politie erop staat te kijken’. ‘Blijf hier’, wilde ik zeggen, ‘mijn boulevard heet ook Clemenceau. De enige politieagenten die je hier ziet, zijn die twee operettefiguren die het standgeld ophalen bij de marktkramers op dinsdag’.
Maar zo werkt het niet natuurlijk en dus voerde ik haar een paar dagen later naar het TGV-station van Aix-en-Provence. Een dikke vijf uur later kreeg ik bericht dat zij goed was thuisgekomen.
Ik doe nu twee keer per dag de door haar voorgeschreven spier- en lenigheidsoefeningen.
Het werkt.
