Kunstmarkt
Vrieeend,
Tijdens de zomermaanden strijkt om de zoveel weken de kunstwereld neer in mijn boulevard. Het voelt telkens aan als baden in koel water temidden van een hete woestijn, het is een herintrede van de beschaving na een lange kille periode van barbarij, het is als een malse regenbui na een tijd van geestelijke verdorring.
Je vermoedde het al, ik heb het natuurlijk over de Avondlijke Kunstmarkt der Lokale Artiesten.
Vanaf vier uur in de namiddag voel je hoe de spanning zich opbouwt. De boulevard wordt afgesloten voor het doorgaand verkeer, kleine bestelwagentjes rijden af en aan, schragen en planken worden uitgeladen, standjes worden opgebouwd, onze kunstenaars herkennen mekaar en roepen elkaar aanmoedigen toe.
Want de kunstwereld, dat is één grote familie van gelijkgestemde zielen, van vrijdenkers, non conformisten en schenenschoppers, van filosofen en, laat ons eerlijk zijn, verlichte mensen die drinken van de fontein der vernieuwing en zich onophoudelijk laven aan de borsten van de universele muzen. Zij zijn de exponenten van de Zeitgeist en houden ons de spiegel voor die ons in staat stelt om oude patronen los te laten en nieuwe wegen te bewandelen.
‘Vooruit Hans’, sprak ik mezelf toe, ‘daal af naar je boulevard, steek voorzichtig je tenen in de vijver der cultuur, connecteer met de Provençaalse Avant Garde, met de Conceptuelen, de Abstracten, de Expressionisten, de Dadadïsten en de Surrealisten. Begeef je op de bühne van de hedendaagse Schone Kunsten. Kijk en leer!’.
Om 18:45 uur liep ik mijn voordeur uit en kwam terecht in de feeërieke wereld van zelfgemaakte standjes, van geknutselde tafeltjes bedekt met kleurige toiles cirées dan wel met oude gordijnen. Maar dat was niet belangrijk, het waren de kunstwerken die hier werden tentoon gesteld door dappere kunstenaars die steeds weer het onbegrip van de bevooroordeelde burger trotseren en verbeten vasthouden aan de creatieve lijn die zij voor zichzelf hebben uitgezet.
Ik werd verblind door honderden glimmende armbandjes en kettinkjes, door handgemaakte sacochen en uniek bedrukte t-shirts, door keramiek met een hoog soortelijk gewicht. De karikaturist zat klaar om instant portretjes te konterfeiten, de landschapsschilder probeerde zijn aquarellen van de pittoreske straatjes van Saint-Tropez en zijn marines met zeilbootjes te slijten.
Dreamcatchers en maanstenen met genezende kracht schreeuwden de voorbijganger toe: ‘Koop me! Koop me’. Een zoölogie aan kleine schattige diertjes, gebeeldhouwd uit savon de Marseille, waren én mooi én nuttig én geurden naar de frisheid van limoen. Je moet er maar op komen. En dan die installatie met waaiers! Zoveel waaiers. Wat zou de kunstenaar hiermee willen zeggen, vroeg ik me af. Dit werk was ongetwijfeld geïnspireerd door de chinoiserieën ten tijde van het interbellum, verder had ik er het raden naar. Maar het kwam wel effe binnen, dat kan ik je wel verklappen.
Het publiek bestond deels uit dorpsgenoten die even kwamen kijken terwijl zij de hond uitlieten en uit mooie mensen met witte linnen gewaden, splinternieuwe kleurige kleren die zij hadden gekocht om mee te nemen op vakantie, mannen met maar half dichtgeknoopte hemden zodat men het zilveren borsthaar op hun bronzen bast kon zien en prachtige dames met een egaal gebruinde huid die dromerig door de boulevard zweefden.
Het exotisme werd dan nog eens danig verhoogd door de vreemde onbegrijpelijke talen die ik oppikte. ‘Kèktdooris, ’n aarmbaandje veur de bomma si’, ‘Asjemenou, veuls te duër’, ‘Milch, drei Eier und Muskatnuss, Herr Müller’, ‘Tappaswaf? Sinon, un p’tit verre peut-être une fois?’, ‘Op iëen biëen kèjje ni stoan’, … Uit welke vreemde contreien waren al die kunstlievende mensen komen afgezakt?
Ik werd bedwelmd door de veelheid aan indrukken en prikkels, kleuren en geuren, en kreeg het gevoel alsof mijn ziel mijn lichaam verliet en ik mezelf vanop grote hoogte door de Boulevard Clemenceau zag wandelen. Toen er een tunnel, met aan het einde een fel wit licht, verscheen, wist ik dat ik mijn transcendente ervaring moest loslaten en dat ik diende terug te keren naar de aarde. Mijn tijd was nog niet gekomen.
Maar ik had de hemel gezien en was niet langer bevreesd voor het grote sterven.
Om 19:07 uur was ik terug thuis, op het vierde. Dik twintig minuten op de Avondlijke Kunstmarkt der Lokale Artiesten had me doen beseffen dat Kunst eigenlijk niets voor mij is. Ik ben er niet rijp voor, mijn verstand is te beperkt om het te bevatten, het is me te kosmisch allemaal.
Misschien in een volgend leven.
Maar wàt een niveau!
