Harmonie
Vrieeend,
Tussen het geroezemoes van de marktgangers door steeg een heldere cellosuite van Bach op en dat was een hoogst ongewoon geluid op mijn boulevard. Een paar dagen eerder, afgelopen zondag, ging de jaarlijkse boekenmarkt “Livre en Fête” door op de Place Trussy. Standjes waar de auteurs van kinderboeken en streekromans, schrijvers van zelfhulpboeken rond spirituele zingeving en plegers van dure uitgaven met relatieadvies, genre “Hoe verander ik mijne man in tien stappen”, signeersessies hielden.
Om dit literaire feest een air van sérieux te geven had iemand een playlist gemaakt met de top 30 van de meest platgespeelde stukken klassieke muziek uit de geschiedenis van de westerse mensheid. Vanuit de blikken luidsprekers die het gemeentepersoneel in de platanen had gehangen, klonk aldus een stukje uit het Requiem van Mozart gevolgd door de eerste beweging uit De Nieuwe Wereld van Dvoràk, dan een flard Verdi, de Lente uit de Vier Seizoenen van Vivaldi en het “Tè tè tèèèèè” waarmee de Vijfde van Beethoven begint.
Kortom, de CD met “The 100 Greatest Classical Masterpieces of all time” in een vlakke uitvoering, van het soort dat je gratis meekrijgt bij de aankoop van twee stukken zeep in de Kruidvat van Dendermonde. Lager kan je niet gaan.
Het vloog werkelijk alle kanten uit. We sprongen van de zeventiende naar begin de twintigste en via de negentiende terug naar de achttiende eeuw. Eclectisch en hoogst verwarrend voor iemand die, als de nood hoog is, troost vindt in Renaissance en Franse of Venetiaanse barok.
Maar dat was vorig weekend.
Op de wekelijkse marktdag bereikt me door mijn slaapkamerraam slechts een onbestemd gemurmel, af en toe onderbroken door het gejank van een hond op wiens poot iemand per ongeluk heeft getrapt of het gekrijs van een licht overspannen dame die in paniek “Mijn sacoche, waar is mijn sacoche?” gilt, meestal gevolgd door het tot kalmte manend gebrom van haar ventje. Je begrijpt mijn verbazing toen ik plots de loepzuivere klank van een cello hoorde. Ik zag beneden, rechtover mijn raam, een jongeling die zo uit een schilderij van Botticelli leek te zijn weggelopen de strijkstok hanteren.
Ik schraapte mijn kleingeld bijeen en stormde de trappen af. ‘Eindelijk’, sprak ik de muzikant toe terwijl ik mijn centen rinkelend in zijn bakje kieperde, ‘eindelijk eens een stuk echte muziek in mijn boulevard. En dan nog meteen Bach! Merci, merci, merci’. En ik meende wat ik zei. De jongen knikte een beetje verlegen en zette een stukje in dat me deed denken aan de muziek de men ten tijde van de Zonnekoning opvoerde in Versailles.
Je moet weten dat de straatmuziek hier tijdens het seizoen meestal bestaat uit dezelfde afgezaagde hitlijst uit de jaren tachtig en negentig, deels gebracht met behulp van een karaoke-installatie. Met die muziek is op zich niks mis, maar na de triljoenste keer heb je ’t een beetje gehad met de McDonaldsversies van Queen, Madonna of Le Grand Jojo. Stop daarmee, probeer dat niet na te spelen want je kan dat niet. Na dit soort auditieve marteling kan een rimpel authentieke cellomuziek, ontdaan van alle pathos, dus echt wel een verademing zijn.
Voor iemand wiens nekharen al omhoog komen als de ijskast aanslaat en daarbij zoemt in fa terwijl net op dat moment de espressomachine een fa kruis produceert, is het toeristisch seizoen één langgerekte dissonantie.
Dat karaoke-tuig moet eruit, we moeten die bij hun scalp het dorp uitsleuren en ergens op een afgelegen veld in brand steken. De harmonie in de wereld moet worden hersteld voor het te laat is. De rotzooi moet weg, de levende authentieke muziek, van gelijk welk genre, moet er opnieuw in.
Heel lang geleden kocht ik bij boekhandel De Slegte de “Encyclopedie van tekens en symbolen”. Daarin staat een prent afgebeeld van een middeleeuws gezelschap dat ergens in de natuur een feestje bouwt. Iemand tokkelt op een lier, iemand heeft zijn lievelingsvalk meegebracht, er wordt wat gekeuveld, in de lucht vliegen een paar zoete engeltjes, … Alles is peis en vree. Maar schijn bedriegt, want van links komt er al een karaoke-heks aangevlogen die de boel komt verpesten. Schoonheid is breekbaar, dat wist die middeleeuwse graficus ook al toen hij dit tafereel tekende. Hoe actueel!
Ik zal je eens iets zeggen: de mens blijft eeuwig dezelfde, enkel de vorm (of het geluid) verandert.
Damn.
