Drink Rode Wijn
Vrieeend,
Wie dacht dat in de Provence de tijd is blijven stilstaan, heeft deels gelijk en deels ongelijk. Zoals je op de foto kan zien, beschikken de koetsen van ons openbaar vervoer inmiddels over wielen met rubberen banden. Als dat niet modern is, weet ik het ook niet meer. Aan de andere kant zijn ze niet altijd mee met de laatste kledingtrends en durft men op feestdagen de strooien hoedjes en de lange rokken al eens bovenhalen.
Maar hé, we leven in een vrij land. Dat mag.
Vorige zondag waande ik me even in Bokrijk. "Geitrijk" zou correcter zijn, meen ik. Toch als je afgaat op de standjes die een grote schare variëteiten aan jonge geitenkaas mét of zonder kruiding aanbieden. Maar goed, wat ik wil zeggen, is dat er ter gelegenheid van één of andere zoekgeraakte traditie een portie goede oude tijd werd uitgestrooid over Lorgues. Het circus van de jaarlijkse Fête de la Provence streek namelijk vanaf 16 uur neer in mijn boulevard.
Er passeerde een Provençaalse fanfare met fluitjes en trommels en er was de meer bij de tijdse fanfare uit Aubagne die een pakkende versie bracht van “Drink Rode Wijn” van Joe Harris. Echter, we moeten daar eerlijk in zijn, het origineel is van Udo Jürgens en heette in oorsprong “Griechischer Wein”. Het liedje bereikte uiteindelijk Spanje en het zuiden van Frankrijk onder de naam “Vino Griego” en schopte het tot lijflied van een populaire Franse rugbyclub. Niet dat dat verder enig belang heeft, maar het verklaart iets. Voor mij bewijst het alleen maar dat Lorgues openstaat voor Vlaams én Duits én Grieks én Spaans. Hoe schoon is dat?
Voorts was er nog volksdans uit Nice en waren er ruiters die deden alsof ze helemaal uit de Camargue tot hier waren komen gereden op hun witte merries. Een paar boerenkarren en een drietal door paarden getrokken karossen sloot de parade af.
Ziezo, met een kwartiertje van onze tijd hadden we dat ook alweer gehad. Een mens zou voor minder zijn sieste onderbreken. Tijd voor een verfrissing dan maar.
Het kwam goed uit dat Bro bij me op bezoek is. Het kwam ook goed uit dat mijn vrieeeeend (let op de vijf e’s) uit Kaapstad en zijn - en ook een heel klein beetje mijn - allerliefste geheel onverwacht hun éénenveertigste huwelijksverjaardag bij me kwamen vieren. Het kwam alweer goed uit dat we op het terras van Ô P’tibouren een vrije tafel en vier stoelen vonden en aldus de hevige emoties die de parade van de Fête de la Provence bij ons had losgemaakt, konden doorspoelen.
Het feit dat mijn ouwe dierbare vrienden uit Zuid-Afrika waren opgedoken, net op het moment dat mijn ouwe dierbare neef bij me logeerde, zal er ook wel voor iets hebben tussen gezeten. We hebben het soort band waarbij je mekaar soms twee of drie jaar niet ziet, maar als het dan gebeurt dat onze paden mekaar weer eens kruisen we gewoon de draad oppikken alsof het gisteren was. Was alles maar zo eenvoudig.
Zo kwam het dan dat het concept “tijd voor een verfrissing” werd voortgezet aan de ronde houten tafel van mijn kleine woonkamer en uitdraaide op een ware kumbaya, aangevuld met hapjes, drankjes, nieuwtjes, muziekjes en een tegeldans of twee. Even dachten we dat we nog steeds jonge veulens waren, twintigers, dertigers, veertigers zelfs. De recuperatie voor zoveel overmoed was voor morgen, niet voor nu.
En terwijl de laatste figuranten van de Provençaalse parade één voor één de boulevard verlieten en we in de verte enkel nog de fanatieke fanfare uit Aubagne hoorden, scheen een haast volle maan door het raam van een appartement op het vierde en was alles zoals het behoorde te zijn.
En wij, wij deden ze nog eens vol en vergaten al onze zorgen.
