Casablanca
Vrieeend,
De lente schiet maar niet in gang. De platanen in mijn boulevard staan wel al mooi in blad maar echt veel zon hebben we nog niet gekregen. Eerder dan de flora - die zich niks aantrekt van de “grisaille” en gewoon haar gang gaat - is het het zachte lenteweer dat het laat afweten.
Ik had mijn buurvrouw van het eerste een paar dagen eerder aangeboden om gebruik te maken van mijn wifi zodat ze eindelijk die documenten naar Orange kon versturen en ze haar internet opnieuw kon laten activeren. Zoals ik reeds halvelings verwachtte, belde ze op het middaguur en hoorde ik het geijkte ‘Coucou, Hans, t’es là?’. Ik was là want met dit weer had ik echt geen plannen om buiten te komen. Ik antwoordde dat ze mocht langskomen wanneer het haar het beste uitkwam.
Haar kwam het kort na de middag het beste uit en ze klopte aan. Ze installeerde zich met haar laptop aan mijn gekraste ronde tafel en ging zuchtend aan het werk. Franse websites en internetproviders, het blijft voor sommigen een moeilijke combinatie. Ze deed er dan ook onvoorzien lang over om alles rond te krijgen en zo werd het vijf uur.
Ik voelde me verplicht om haar een glas goedkope Côte du Rhône uit mijn kartonnen vaatje aan te bieden - op een bepaald moment heeft een mens genoeg koffie en water met citroensiroop gedronken -, iets wat ze niet afsloeg.
Ze had duidelijk geen zin om op te krassen en bleef langer plakken dan me lief was. Toen stelde ze voor om samen iets te eten, wat ik zo beleefd mogelijk afwimpelde. Zelf had ik nog een overschotje voor één persoon en dat moest echt op. Ik haat het om eten weg te gooien en legde haar dit uit. Voor mij is dit geen hogere wiskunde: restje van gisteren + portie voor één persoon = niet voldoende om twee monden te voeden.
‘Ja, maar, ik heb ook nog een overschot in mijn ijskast. Iets pikant met bouletten’, drong ze aan, ‘er is genoeg voor twee en ik zie dat jij nog wat flessen wijn hebt liggen…’. Dit werd moeilijk. Ik heb inderdaad een paar flessen echt goeie wijn die ik opspaar voor een gelegenheid: Bordeaux uit 2016, Bourgogne uit 2018, een Domaine de Triennes uit 2016. Als volgende maand mijn broer op bezoek komt, doe ik die open. Mijn broer kent wat van wijn en weet een goede fles te appreciëren, in tegenstelling tot mijn buurvrouw van het eerste die haar glas Côte du Rhône in een angstwekkend snel tempo had binnengegoten en niet al te subtiele signalen uitstuurde dat ik gerust nog eens mocht bijvullen.
Ik heb haar ooit al eens totaal laveloos de trappen moeten afdragen en haar in bed moeten stoppen, ik weet bijgevolg waartoe dit kan leiden als ik niet tijdig ingrijp. Mijn buurvrouw van het eerste is een kamikaze als het op drinken aankomt. Ze is in staat om zich, het glas in de hand, met ware doodsverachting een wijnkelder in te storten. Ik wil dit niet op mijn geweten hebben. De gezondheid van mijn buurvrouw kan me niet schelen, dat is haar zaak, maar goeie wijn verspillen gaat me aan het hart.
Ik nipte van mijn nog steeds halfvolle glas, zij speelde met haar lege glas en keek me recht aan. De boodschap was duidelijk maar ik voelde een soort weerstand opkomen.
Ik dacht koortsachtig na. Ik had haar voorstel om ons avondmaal samen te nuttigen reeds afgewezen maar dat was blijkbaar niet doorgedrongen. Moest ik nu onbeleefd worden? Ik hou daar niet van, van onbeleefd worden. Tenzij ik een soort Trumpiaanse valsspeler tegenover me heb, dan wil ik met veel plezier een beetje ruw in de mond worden. Maar mijn buurvrouw van het eerste is geen slecht mens, hoogstens iemand van een andere planeet. Dat is toegestaan.
Nu, ik begreep haar wel. Ze had geen internet en bijgevolg geen muziek en geen tv. Haar plannetje van vorige week, om haar tv op een antenne aan te sluiten, was mislukt, haar lief uit Parijs zat in Parijs en nu zocht ze wat gezelschap om haar verveling te verdrijven.
Nou ja, haar lief woont niet écht in Parijs, eerder in een dorp op dertig kilometer van de Franse hoofdstad. Maar in Lorgues hoeft niemand dat te weten en heeft ze al haar vriendinnen wijsgemaakt dat haar lief een authentieke Parisien is. Omgekeerd heeft ze zijn vrienden en familie verteld dat ze in Saint-Tropez woont want dat is tenslotte ook maar een goeie dertig kilometer verder naar het zuiden. Geef toe, Saint-Tropez klinkt mooier dan Lorgues als je van niet beter weet.
Ik besloot om de knoop door te hakken. Ik schonk haar glas nog eens halfvol en zei, ‘Ach buurvrouw van het eerste, je kent me inmiddels al een beetje. Ik ben een eenzaat, ik heb zonet nog een aanvraag ingediend om toe te treden tot de Gilde der Asociale Vuurtorenwachters, indien ik word toegelaten, vertrek ik binnenkort waarschijnlijk voor zes maanden naar een vooruitgeschoven post in Bretagne. Ik heb nog veel te regelen in afwachting. Ander keertje?’.
Ze trok een beteuterd gezicht maar merkte al snel dat het niet veel indruk maakte en ze drong niet verder aan.
Ik was ontsnapt en keek die avond vanuit mijn bed naar een ouwe film met Humphrey Bogart. Zoals iedereen weet, heette die eigenlijk Rick en woonde hij in Casablanca.
